Huis Gunterstein, Breukelen
Huis Gunterstein, Breukelen

Stichtingsnieuws

Warm hart voor interieur

Interview met de nieuwe en de scheidend voorzitter

23-06-2009

In het historische Pandhuis aan de Springweg te Utrecht wisselen zittend en scheidend voorzitter Jan van der Hoeve en Barbara Laan van gedachten over de toekomst en de visie van de SHNI. Zij doen dit via een terugblik naar de geschiedenis, de oprichting en ontwikkeling van de stichting.
Waarom is de SHNI destijds opgericht?

Barbara: De stichting is in 2000 opgericht als een club van vakgenoten vanuit een behoefte om de handen ineen te slaan en tot een betere kennisontwikkeling en -uitwisseling van het Nederlandse interieur te komen. Als doelgroepen hebben we de vakgenoten zoals architecten, restauratiemensen, interieur-, bouw- en kunsthistorici gedefinieerd en daarnaast ook beheerders en gebruikers van monumenten. In de eerste fase lag de nadruk op de opbouw van de stichting, het praktische gedeelte zoals het opzetten van een nieuwsbrief, een website, een format maken voor studiedagen en dergelijke.

Anno 2009: hoe ver zijn we nu met de kennisontwikkeling rondom het Nederlandse interieur?

Barbara: Er is een enorme vooruitgang waar te nemen sinds de laatste tien jaar. Zoals er vroeger nog wel eens met enige onverschilligheid en zelfs met dédain gesproken kon worden over het interieur, dat hoor je nu niet meer zo vaak. Het onderwerp staat ruimschoots in de belangstelling, zodanig zelfs dat je een duidelijke kennisbehoefte in het veld kunt waarnemen. Behoefte op wetenschappelijk gebied aan bijvoorbeeld een leerstoel interieurgeschiedenis, er is behoefte aan interieurhistorische kennis bij de restauratorenopleiding, bij monumentenzorg, bij eigenaren en beheerders en er is een kennisbehoefte bij instellingen zoals Monumentenwacht. Het onderwerp staat in vergelijking met twee decennia geleden gelukkig beduidend beter op de kaart.
Jan: Er is inderdaad meer belangstelling dan enkele jaren geleden. Helaas zie ik in de praktijk nog steeds dat bescherming van het interieur binnen de monumentenzorg lastig is. Bescherming van interieurs grijpt namelijk diep in op het privé-domein. Daarnaast probeert de overheid regelgeving te beperken. Aandacht voor het interieur moet wat mij betreft met name komen van de eigenaren en beheerders van monumenten zelf. De boodschap over het belang van het interieur en interieurelementen moet dus juist bij hen terecht komen. Daar heb je vakmensen en kennis voor nodig. In de verspreiding en uitwisseling van kennis heeft de stichting een belangrijke rol, die zij die ook reeds de afgelopen negen jaar heeft laten gelden.

Hoe gaat de SHNI de komende jaren haar stem laten gelden?

Jan: Zoals aangegeven zie ik in de praktijk toch vaak dat het interieur in zijn aard kwetsbaar is omdat vrijwel elke nieuwe gebruiker van een pand het interieur naar zijn of haar smaak aanpast. In die fase is het van belang dat men kennis heeft of verwerft over eventueel aanwezige waardevolle interieurelementen. Hiervoor wil ik me de komende vier jaar inzetten. In algemene zin door interesse te kweken en door kennis te verbreden. Dat kan op allerlei manieren, onder meer door het organiseren van cursussen, lezingen en excursies, door het aanspreken van architecten en eigenaars. Enfin, hetgeen al tot het repertoire van de stichting hoort en dus verder wordt ontplooid.
Barbara: Er ligt een enorm veld braak waar vraag is maar nog geen passend aanbod. Een Interieurwacht zoals deze in de provincie Noord-Brabant bestaat waar eigenaren/beheerders terecht kunnen met praktische vragen geeft aan dat de behoefte aan kennis er is. De uitdaging ligt er mijns inziens in om de groep monumenteigenaren en -beheerders gericht aan te spreken en een antwoord te geven op de bij hen levende instandhoudingvraagstukken.

Wat kunnen de begunstigers van de SHNI dit jaar gaan verwachten?

Jan: Er worden weer enkele interessante studiedagen door de SHNI (soms i.s.m. derden) georganiseerd. De Theo Lunsingh Scheurleerlezing vindt in oktober voor de tweede keer plaats. Dit keer zal de befaamde Engelse architectuurhistoricus John Harris komen spreken. Daarnaast is de website vernieuwd. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat iedereen die het interieur, historisch en modern, een warm hart toedraagt bij de SHNI verwanten zal vinden en over dit onderwerp meer te weten kan komen. Wij fungeren als platform van kennis en willen die met zoveel mogelijk belangstellenden delen, ieder jaar opnieuw.

Barbara, waar kijk je na zes jaar voorzitterschap met de meeste trots op terug?

Barbara: Naast interne zaken zoals het professionaliseren van de organisatie ben ik uiteindelijk het meest trots op de georganiseerde bijeenkomsten voor kennisuitwisseling zoals studiedagen en lezingen. Ik noem bijvoorbeeld de eerste Theo Lunsingh Scheurleerlezing waar we kans hebben gezien een hele beroemde spreker naar Nederland te halen: architect en historicus Prof. Witold Rybczynski. Met die lezing hebben we de vakpers en zelfs de landelijke media gehaald, een unicum in ons vakgebied. Het is bijzonder dat dit een vervolg krijgt met de tweede lezing later dit jaar. Ik noem ook de vanuit cultureel antropologische invalshoek georganiseerde studiedag over het gebruik van een ruimte: de eetkamer, een aanpak die jaarlijks terug zal komen. Die dag was erg goed bezocht en daarover hebben we als bestuur veel positieve reacties ontvangen. Verder ben ik er trots op dat de stichting in het politieke veld ook haar stem laat horen zoals bij een reactie op het visiedocument van Minister van OCW over de modernisering van de Monumentenwet (MOMO). De SHNI heeft daar duidelijk haar visie laten horen met betrekking tot de beschermingswaardigheid van het Nederlandse interieur. Al met al genoeg zaken om met trots op terug te kijken. Ik wens Jan en zijn medebestuursleden veel succes toe en zal met een warme belangstelling de stichting blijven volgen.

Esther van Doorne-Porteners  
gepubliceerd in SHNI Nieuwsbrief 23, juni 2009