

Th.H. Lunsingh Scheurleer (1911-2002) is de grondlegger van de wetenschappelijke aandacht in Nederland voor het historische interieur. Hij was vanaf 1943 verbonden aan het Rijksmuseum te Amsterdam, aldaar 1954-1963 directeur van de Afdeling Beeldhouwkunst en Kunstnijverheid, en van 1964-1981 de eerste hoogleraar Geschiedenis van de Kunstnijverheid aan de Universiteit van Leiden.
De eerste ‘Theo Lunsingh Scheurleer-lezing’, getiteld ‘Style, Taste and the Modern Interior’, is op 2 oktober 2005 door de Amerikaanse architectuurhoogleraar Witold Rybczynski gegeven.
John Harris
John Harris (1931) is een van de bekendste en meest befaamde architectuurhistorici van Engeland. Na zijn middelbare school heeft hij na tien jaar, na vele reizen en verschillende baantjes, werk gevonden in de antiekhandel. Daar vond hij zijn roeping, en ontwikkelde zich tot dé autoriteit op het gebied van architectuur-tekeningen, Engelse 17de- en 18de-eeuwse architectuur, buitenplaatsen, tuinen en kunstnijverheid. John Harris heeft meer dan 40 boeken en ruim tweehonderd artikelen op zijn naam staan, waaronder diverse standaardwerken zoals over de architecten Sir William Chambers, Inigo Jones en William Talman. Ook heeft hij meegewerkt aan diverse grote tentoonstellingen, waaronder de spraakmakende tentoonstelling ‘Destruction of the Country House’ in 1974.
Hij was als conservator verbonden aan de Royal Institute of British Architects, en was in de jaren 1996-2001 intensief betrokken bij de herinrichting van het Victoria and Albert Museum. Daarnaast is hij werkzaam geweest als Mellon Professor aan de National Gallery of Art te Washington D.C. en als Slade Professor in Fine Arts aan de University of Oxford.
In 2007 verscheen zijn spraakmakende boek ‘Moving Rooms. The Trade in Architectural Salvages’, het onderwerp dat al ruim vijftig jaar zijn belangstelling heeft. Dit spraakmakende boek oogstte veel waardering: ‘The book tells a story that no-one else could even dream of putting together’ (Sally Salvesen); ‘he remains the master recorder of the tragedy of the English house over the past century’ (Simon Jenkins in The Guardian 18/8/2007); ‘Harris sheds fascinating light on the dealers who traded in period rooms’ (Marcus Binney in The Times 11/09/2007).
“Moving Rooms”
Seeking the Origins of the Period Room: a global and a Dutch Issue
Al zolang het interieur in de belangstelling staat, worden interieuronderdelen met enige regelmaat vervangen door modernere. Een niet onbelangrijk neveneffect van deze voortdurende vernieuwingsdrang is dat er een levendige handel is ontstaan in al dan niet waardevolle ‘afdankertjes’; lambriseringen, schoorsteenmantels, vloeren, deuren en kozijnen, sanitair of zelfs complete stijlkamers verhuizen uit hun oorspronkelijke architectonische context. Soms vinden ze in samenhang een nieuwe omgeving waarin ze tot hun recht komen, maar niet zelden worden interieurs in onderdelen verhandeld om in een totaal andere context of cultuur al dan niet te gedijen: stijlkamers op drift.
Liggen destructie en redding dicht bij elkaar? John Harris vraagt het zich al sinds de jaren ’50 af. In die tijd werden er in Engeland elke week gemiddeld drie historische landhuizen gesloopt. Waar laat je 1500 trappen, 10.000 schoorsteenmantels of 2.000 complete interieurs? De handel in ‘geredde’ interieurs is al vele jaren levendig. Het viel Harris op dat in de jaren tussen de eerste en tweede wereldoorlog in Europa veel kastelen en landhuizen verdwenen, terwijl het tegelijkertijd in Amerikaanse musea (en bij veel particulieren) juist modieus was om Europese stijlkamers in hun volle glorie te installeren. Beroemd is natuurlijk William Randolph Hearst, die complete kastelen verscheepte, maar er zijn ook kunsthandelaren bekend die op verzoek “complete” stijlkamers voor musea “creëerden”. Ook voor Nederland is dit onderwerp geen onbekend verschijnsel, niet in het minst omdat ons land een belangrijke bron voor stijlkamers en interieuronderdelen was. Eind 19de- en vroeg 20ste-eeuwse veilingcatalogi staan er vol van, onder meer van het internationaal toonaangevende veilinghuis Frederik Muller te Amsterdam.
Niet alleen het historische interieur heeft Harris’ aandacht; zo vraagt hij zich af wat er overblijft als we straks de moderne gebouwen van iconen als Norman Foster of Richard Rogers gaan slopen. Van Rogers’ beroemde Lloyds Building in Londen waarschijnlijk alleen de bestuurskamer die oorspronkelijk in 1763 door Robert Adam voor het buitenhuis Bowood House in Wiltshire was ontworpen en nu een markant contrast vormt in de barokke high-tech architectuur.
In de ruim 60 jaar dat het onderwerp in Harris’ belangstelling staat heeft hij de handel in ‘tweedehands’ interieurs en interieur onderdelen zien veranderen. Betere regelgeving en waardestelling zorgen er voor dat er minder waardevols wordt gesloopt, en de ontwikkeling van de bouwtechniek maakt dat áls er gesloopt wordt er ook minder waardevols over blijft. Of vinden we bij de antieke bouwmaterialenhandel van de toekomst juist liften, wandcontactdozen, CV-ketels en roltrappen?
Bekijk de publicatie in 'HET PAROOL" 13 november 2009
Bekijk de publicatie in "Residence" 15 december 2009
Bekijk de publicatie in "de Architect", december 2009
Link naar website "de Architect" met artikel, biografie en foto's
De lezing werd mede mogelijk gemaakt door:
Stadsherstel Amsterdam N.V., Rescura Vakatelier voor Restauratie & Decoratie,
Oostveen Meesterschilders B.V., Uitgeverij Waanders B.V., Dhr. W.J.G.M. Waanders,
E. Witte Bouw en Aannemersbedrijf B.V., van de Burgt en Strooij Bouw en Restauratiebedrijf,
Helicon Conservation Support B.V., Ruys Interieurs B.V., van Hoogevest Architecten.