

01-06-2009
De lente komt er aan, de vogels bouwen nestjes, en in de modieuze media barsten de ‘voorjaarstrends’ los. Interieuradviseurs leuren de nieuwe woonkleuren uit: veel geel dit jaar, zeggen ze, van vanillegeel fluweel tot warm oranje wanden. Nee, prevelen anderen, blauw en oud hout moet het zijn, zongebleekte vloerdelen, natuurstoffen in aquamarijn. Weer anderen komen met Thaise dozen en antieke Finse kinderbedjes, de vondsten rollen over elkaar heen. Het publiek leert dat je ’s zondags zo ontspannen met het gezin kunt ontbijten als je op zaterdag wat oud roze glaswerk en een Indonesische eettafel hebt gekocht. Dat een verweerde, houten bank een heel bijzondere side-table kan worden, of een sfeerhoekje. Zover het oog reikt is alles doordacht, maar tevens speels en informeel. Het is om van te braken.
Wat is er zo erg aan de handig gestylede suggesties van damesbladen en meubelwinkels, verffabrikanten en Ariadne Wonen? Aan die lawine van spulletjes en woordjes die tegemoet komt aan iets waarvan talloze Nederlanders last schijnen te hebben: ‘woonwensen’? Waarom stemt het mij niet alleen treurig, maar zelfs kwaad?
Je kunt het nauwelijks nog zeggen, maar zelf houd ik van huizen, van kleuren en van oude dingen. Maar als ik de Eigen Huis & Interieur opensla, ontvalt mij op slag iedere lust om nog een vinger uit te steken naar mijn eigen kamers. Ga weg met je rustieke aardewerk en je Eileen Grey-bijzettafel, donder op met je Zweedse krijtkleuren.
Interieur? Ik heb geen interieur en ik wil er geen. Ik bezit stoelen en tafels, een rommelig samenstel maar ik vind het wel gezellig. Er verandert maar zelden iets. Het is niet dat ik het niet wil, maar het heeft weinig prioriteit.
Ach, zalig zijn zij die tijd hebben om iets heel bijzonders van hun huis te maken, en helemáál zij die dat voor veel geld door anderen laten doen. Al die ijver, die creativiteit. Maar hun getut heeft ook iets wanhopig-makends. Mensen die je ‘hun huis laten zien’, van het antieke fonteintje in de beneden-wc tot de ossenbloedkleurige zolderbalken. Ik wil meteen weg als ze vertellen hoe lang ze hebben gezocht naar de goede kapstok. Een interieur dat helemaal in stijl is doorgecomponeerd, als een klassieke symfonie, vind ik zielig.
Een antiquair vertelde mij onlangs dat het moeilijker is geworden om antiek te verkopen. Niet het Tefaf-topniveau maar gewoon, de serieuze middensoort. Zij merkte dat de mensen steeds meer naar totaal-effecten verlangen: er moet indruk worden gemaakt. Alleen sukkels sparen nog temidden van hun oude spullen, net zo lang tot zij dat éne prachtige voorwerp kunnen kopen. Het heeft natuurlijk te maken met de alomtegenwoordige grote geldpest, die mensen de straat op drijft om te fun-shoppen. Spullen kopen is een geliefde vrijetijdsbesteding.
Maar wat je nu ziet is een bijbehorend, fascinerend verschijnsel: de verwinkeling van het privéhuis. De winkel (of zijn papieren tegenhanger, de tijdschriftpagina) wordt het esthetische ideaal van de Nederlander. Sterke effecten, met flair gepresenteerd: voor de kleine geest is styling de grootste kunst. Ik weet niet of er al styling-cursussen bestaan, anders zullen ze niet lang op zich laten wachten. Dan kan de droom van de winkelende medemens doordringen in alle hoeken van het land, tot elke kamer in ieder huis een showroom is.
Ileen Montijn Eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad, 23 maart 1999