

11-07-2011
In de afgelopen periode is de interesse voor monumenten aanzienlijk groter geworden. Er zijn veel meer beschermde monumenten - niet alleen Rijks- maar ook gemeentelijke monumenten - dan in 1988 toen de Rijksoverheid met de wijziging van de Monumentenwet veel taken en bevoegdheden op het gebied van de monumentenzorg heeft overgedragen aan gemeenten. Tegenwoordig zijn gemeenten primair verantwoordelijk voor monumentenzorg, gesteund door diverse adviesorganisaties. Daarnaast heeft een verbreding van de monumentenzorg plaatsgevonden. Er wordt niet slechts gelet op het exterieur, maar ook steeds vaker op constructie (bouwhistorie) en interieur. Deze onderdelen bevatten namelijk veel meer informatie over de bewonings- en gebruiksgeschiedenis dan het exterieur. Daarmee heeft de monumentenzorg meer impact gekregen op de directe leefomgeving van de eigenaars van deze monumenten.
Vergunningsprocedures voor monumenten zijn omslachtig en langdurig, zeker als er sprake is van kleinschalige ingrepen. Dat is al lang een doorn in het oog van eigenaars en gemeenten. Veel gemeenten gaan daarom pragmatisch met de wet en verordening om. Na voorafgaand overleg konden veel werkzaamheden zonder vergunning worden uitgevoerd. Onderdeel van het overleg was steeds een beoordeling van de situatie ter plaatse, waarbij de waarden van de constructie en interieurafwerking beoordeeld konden worden. Een juridisch onbevredigende, maar praktische oplossing. Met de beoogde wetswijziging om sommige verbouwingen van beschermde monumenten vrij te geven, wordt deze praktijk geformaliseerd. Er is één klein, maar wezenlijk verschil. De eigenaar wordt verantwoordelijk gesteld om vast te stellen of werkzaamheden vergunningvrij zijn, gesteund door de informatie via de websites van de RCE en gemeenten. Ook als het voorstel definitief wordt, blijft overleg met de gemeente raadzaam om zeker te weten of de werkzaamheden daadwerkelijk vergunningvrij zijn of niet. Tevens is het dan mogelijk om advies te verkrijgen over de uitvoering van de beoogde werkzaamheden. Dat was ook de strekking van enkele moties in de Tweede Kamer, waarbij gesteld werd dat bij elke verbouwing in een monument een 'servicemoment' van de gemeente noodzakelijk is.
Het past overigens wel in het nieuwe monumentenbeleid om steeds meer verantwoordelijkheden bij de eigenaar van een monument te leggen. In het Momo (de beleidsmaatregelen in het kader van de modernisering van de monumentenzorg) worden monumenteneigenaars aangesproken als hoeders van de cultuurhistorische waarden. Probleem is echter dat niet onwil maar onwetendheid de voornaamste oorzaak is van verlies van cultuurhistorische waarden in interieurs en constructies. Het is dus zaak om eigenaars goed in te lichten over de waarden, die in het interieur verscholen (kunnen) liggen. En daar ligt een taak voor de SHNI. Laten wij ervoor zorgen dat de aandacht voor het interieur van blijvende aard is, niet alleen bij de deskundigen, maar vooral ook bij eigenaars en liefhebbers. Dat heeft een bijkomend voordeel, omdat bijzondere interieurs en constructies zich niet alleen in beschermde monumenten bevinden. En bijzondere interieurs hoeven niet perse oud te zijn. Ook recente interieurs kunnen zeer bijzonder en waardevol zijn.