

Amsterdam, Amsterdam University Press, 2009
paperback, 160 pp., geïllustreerd, € 29,95.
ISBN 978-90-8555-025-9, www.aup.nl (ICN publicaties)
In het verleden werden - om het binnenklimaat in musea te beheersen - vaak klimaatinstallaties ontworpen aan de hand van zeer strikte klimaatnormen. Dit leidde soms tot zeer omvangrijke klimaatinstallaties. Naast het feit dat dergelijke installaties veel energie kosten en soms grote ingrepen voor het gebouw met zich mee brengen, bleken ze in de praktijk ook niet zonder risico.
Om een kort-door-de-bocht besluitvorming te veranderen geeft het boek ‘Klimaatwerk richtlijnen voor het museale binnenklimaat’ aan de hand van een viertal stappen een nieuw besluitvormingstraject. In de eerste stap komt de waardestelling van zowel gebouw als collectie aan bod. Hoewel deze stap in de praktijk wat tijd vergt, vormt ze het fundament voor alle andere stappen. Wanneer in stap 2 of 4 bouwkundige of installatietechnische maatregelen worden voorgesteld, is het belangrijk om telkens de invloed daarvan op de waardestelling te beoordelen. In de tweede stap wordt gekeken naar de bouwkundige en bouwfysische mogelijkheden van het gebouw. Belangrijk daarbij is te kijken naar eenvoudige bouwkundige maatregelen die er voor zorgen dat het gebouw bouwfysisch gezien beter presteert. In de derde stap wordt gekeken naar de noden van de collectie. Daarbij zijn in een collectie of ruimte verschillende materiaalgroepen te onderscheiden, waardoor deze fase efficiënt kan worden doorlopen. Belangrijk daarbij is dat niet alle collectieonderdelen in dezelfde mate gevoelig zijn voor een verkeerd binnenklimaat. In de vierde stap komen de verschillende wijzen van het beheersen van het binnenklimaat aan bod. Dat gaat niet alleen over volledige klimaatbeheersing met alle gevolgen van dien, maar juist ook over locale, minder ingrijpende, maatregelen, zoals vitrines of microklimaatdozen. Per stap geeft het boek de benodigde relevante achtergrondinformatie en bevat het een zeer uitgebreide literatuurlijst.
Nieuw is daarbij de koppeling van de waardestelling en de gevoeligheid van zowel gebouw als collectie. Door de verschillende waarden en gevoelheden van gebouw en collectie in kaart te brengen, kan een optimaal programma van eisen voor het binnenklimaat worden opgesteld. Dat betekent niet noodzakelijker wijs het inbrengen van luchtbehandelingstechniek. Het toepassen van passieve of actieve vitrines, microklimaatdozen of, indien mogelijk, het herschikken van collectie leidt soms ook al tot het gewenste resultaat. Klimaatinstallaties blijven daardoor beperkt of misschien zelfs wel helemaal achterwege.
Marc Stappers, specialist Bouwfysica, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed