

01-06-2009
Niet vaak komt het interieur van een schip voor het voetlicht. Uitzonderingen hierop vormen de beschrijvingen van (vroegere) passagiersschepen. Maar van dit type schepen zijn de interieurs dan ook van een zodanig belang dat een beschrijving van een schip nauwelijks om de kwestie 'huisvesting' van de opvarenden heen kan.
Voor ander type schepen, vrachtschepen en marineschepen bijvoorbeeld, ligt het verhaal compleet anders. De vormgevers (lees: scheepsbouwers) van dergelijke schepen vinden het van belang om de ruimte in een schip zo goed mogelijk aan de functie ervan aan te passen. De functie, ingegeven door voornamelijk het doel, het vaargebied, de juridische en scheepstechnische eisen van het schip, bepaalt de afmetingen en de indeling van de diverse ruimten ervan. En wanneer we het over marineschepen hebben, dan vinden binnen deze bruto scheepsruimte de machines, de wapens en munitie, de voorraden, reservedelen en proviand en ook nog de mensen allemaal een plek.
De ´Buffel´ was een marinestoomschip, gebouwd in 1868 op een Schotse werf. Het schip maakte deel uit van een groot 19de-eeuws marine nieuwbouwprogramma, dat aansloot bij een groot plan voor de militaire verdediging van Nederland. Het zal geen verbazing wekken dat dit marineschip geheel naar functie is gebouwd. Het onderbrengen van de opvarenden was dan ook een afgeleid belang. Bij het in de vaart komen bezat de ´Buffel´ twee stoommachines voor de voortstuwing, twee grote kanonnen in een draaibare toren op het bovendek en was het uitgerust met een ramsteven. Het schip inclusief een massief pantser was nagenoeg geheel van ijzer gemaakt. Tussen deze 'functionele techniek' vonden 111 opvarenden een plek om te werken, te verblijven en te slapen. Slechts ruim een handvol van de opvarenden, zeven om precies te zijn, kregen bij de indienststelling van het schip een eigen hut. Veruit de grootste ruimte was gereserveerd voor de commandant, op de ´Buffel´ varend in de rang van kapitein-luitenant ter zee. Hij beschikte over een eigen ´kantoor´ tevens ontvangstruimte voor hoge gasten, een eigen slaaphut, met daarin zelfs een bad en eigen WC. Van de inrichting en omvang hiervan konden de andere opvarenden slechts dromen. De overige zes officieren moesten het stellen met een kleine hut, waarin een kooi, een kleine wastafel en een bureautje met stoel de gehele ruimte vulden. Hadden zij en de ruim twintig onderofficieren nog de weelde van een eigen hele of gedeelde hut, de rest van de bemanning moest het stellen met slechts een hangmat en een klein kastje. De hangmat diende overdag opgeborgen te worden, zodat de ruimte vrijkwam om er te eten en om er onderricht te krijgen. Al met al namen de ruimten van bemanning en officieren nog niet een derde deel van de gehele scheepsruimte in beslag. En van deze ruimte bestond de helft uit de commandantskajuit, de lounge en de hutten van de officieren.
In 1896 nam de Koninklijke Marine de ´Buffel´ uit actieve dienst en liet ze het schip verbouwen tot logementschip. Alle machines, de ketels en de geschutstoren met kanonnen en al werden verwijderd. Ook verdween een groot deel van het pantser. De hierdoor ontstane gaten in de dekken werden aangeheeld waardoor er, inclusief het bovendek, drie doorlopende dekken ontstonden. Tot na de Tweede Wereldoorlog bevolkten jonge jongens deze dekken. Ze kregen daar - niet ouder dan 14, 15 jaar - hun eerste vorming bij de marine. Toch bleef de indeling van de ruimten nagenoeg onveranderd: de jongens vooruit, de onderofficieren in de midscheeps en de etat-major (de scheepsstaf) in het achterschip. En daar waar voorheen de machines waren geplaatst, kwamen nu lokalen waar de matrozen in opleiding overdag les kregen en ´s avond in hun hangmatten sliepen. Door een wonderlijke speling van het lot is de 'Buffel' als een van de weinige marineschepen uit het midden van de 19de eeuw bewaard gebleven. Momenteel doet het al vijfendertig jaar dienst als museumschip. Van het oorspronkelijke interieur is helaas niet veel over: toevallig kwam bij de grondige restauratie van het schip in 1974 een mintgroene wandkleur in de lounge tevoorschijn. Verder is er een klein aantal tekeningen waarop af te lezen is waar welke ruimtes gezeten (kunnen) hebben. Deze tekeningen, samen met het schip zelf, zijn gebruikt om het interieur van de ´Buffel´ te reconstrueren. Hierbij is wel gebleken dat er niet veel ruimte was voor de mensen aan boord: maar goed, daar was het dan ook een marineschip voor.
Wouter Heijveld conservator
Maritiem Museum Rotterdam