

16-06-2010
Wie het woonhuis van architect Jan de Jong
(1917-2001) wil doorgronden, moet de tijd nemen. Loop er doorheen. Blijf op
verschillende plekken staan. Dan pas merk je dat de grootste kwaliteit hier is:
de ruimte die je ervaart. Dit gebouw is als muziek waarbij vooral de stilte
tussen de noten van belang is. Alles wat hier aan materie is, draagt bij aan de
ruimtelijke beleving. Daarbij is het vooral de maatvoering van de kolommen, de
raamopeningen, de muren en de door de architect ontworpen meubels, die het huis
verheffen tot pure architectuur.
De Jong liet voor de bouw van dit huis zijn amper vijftien jaar oude, zelf ontworpen ‘Engelse landhuis’ afbreken. Aanleiding was dat hij sinds eind jaren veertig intensief contact had met monnik-architect dom Hans van der Laan (1904-1991). Deze zocht al sinds de jaren twintig intensief naar de grondbeginselen van architectuur. Daartoe ontwikkelde hij eerst ‘het plastische getal’, een driedimensionaal proportiestelsel; later werkte hij dit uit tot een alomvattende architectuurtheorie. Van der Laan heeft vanaf 1946 vele volgelingen vergaard, zozeer zelfs dat voor hun bouwwerken de benaming ‘Bossche School’ ontstond. Jan de Jong hoort hier bij, maar neemt een bijzondere plaats in. Hij was zo onder de indruk van de ideeën van Van der Laan, dat hij besloot zijn vak als het ware helemaal opnieuw te ontwikkelen. Dit deed hij grondig, waardoor hij in zijn vele gebouwen ook echt een eigen weg insloeg. Zijn woonhuis (in fasen gebouwd tot 1968) is daarvan een toonbeeld. Beter gezegd: zijn meesterstuk. Uitgangspunt was dat een huis ‘niet alleen praktische en lichamelijke behoeften moet vervullen, maar vooral ook heilzaam moet zijn voor verstand en geest’. Daartoe is het uitsluitend opgebouwd uit basale elementen, zoals muren met openingen en ruimten met kolommenrijen.
Het hoofdgebouw staat op een vrijwel rechthoekig kavel van zo’n 25 x 16,5 meter. Het vormt daar een soort hof: langs de randen een L-vormig gebouw met aan de korte westkant een hoge kantoorvleugel, aan de noordkant een lager langgerekt woongedeelte en aan de zuidoostkant een ommuurde hof. Het hart van het huis is de woonkamer, op de begane grond. Overdonderend aanwezig zijn hier twee rijen kolommen die de volle lengte van het vertrek bestrijken. Zij verdelen de ruimte in drieën: een breed middenstuk en twee ‘galerijen’. De werking van het matenspel is hier goed te zien. De kolommenrijen zijn namelijk niet gelijk. Aan de zuidkant, langs de hof, staan slechts vijf kolommen. Deze zijn zo breed dat ze eigenlijk stukken muur zijn waartussen de open ruimten poorten vormen. Die leiden naar woonnissen: kleine verblijfsruimten langs een raam aan de hof. Aan de noordkant staan negen veel rankere kolommen met een heel ander karakter. Zij vormen dan ook geen poorten maar begeleiden een wandelgang langs een dichte buitenmuur. Kleur- en materiaalgebruik versterken de ruimtelijke werking. Zo zijn alle muren en kolommen van steen en licht van tint, terwijl zaken als tussenwanden en plafonds die niet direct bijdragen aan de ruimtelijke werking, alle zijn uitgevoerd in donker gekleurd hout. De vloer is van gewassen grint met tussen en naast de kolommen banden van natuursteen daarin.
Jan de Jong heeft het huis naar eigen zeggen opgebouwd uit ‘octaven’ waarbij telkens de grootste maten (bijvoorbeeld de volle kavellengte- of breedte) harmonisch zijn onderverdeeld in kleinere maten die alle met elkaar te maken hebben. Zo is de dikte van de buitenmuur precies 1/7 van de breedte van de galerij met woonnissen. Die galerijbreedte is 1/7 van de kavelbreedte; terwijl het middenstuk en de wandelgalerij zich onderling ongeveer verhouden als ‘een kwint’ tot ‘een kwart’. Dit dansante spel van ritmische verhoudingen heeft De Jong overal toegepast, niet alleen in de lengte en breedte maar ook in de hoogte, en vaak over elkaar heen. Dat maakt het huis zo spannend, zo rijk geschakeerd, als was het een meerstemmig muziekstuk. De architect kende elke maat uit zijn hoofd: ‘Het hele huis balt zich samen in deze verstaanbare orde waarvan de massieve elementen de dragers zijn.’ Maar met maatvoering alleen ben je er niet, ook dat zei hij met nadruk: ‘Het gaat erom dat het fysieke en het geestelijke samenvalt. Kolommen dienen om een huis te dragen én om maatvoering tot stand te brengen. Pas als je niet meer kunt merken wat van die twee op de eerste plaats komt, is een optimum bereikt.’
Hilde de Haan, architectuurpublicist