

01-04-2008
Rond 1880 was Hoorn een van de 'dode stadjes aan de Zuiderzee'. Waar eens schepen uit alle wereldzeeën bij elkaar kwamen heerste nu de gezapigheid van een provinciestadje. Bijna alle overheidsinstellingen waren uit de stad weggetrokken zoals de marine, de gecommitteerde raden, de arrondissementsrechtbank. De schutterij was opgeheven, net als de kantoren van de Oost- en West-Indische compagnie. Het stadhuis dat gevestigd was in het voormalige Statenlogement hing barstensvol met historische- en kunstvoorwerpen en de stad zat met al die voorwerpen in haar maag. Vanaf 1874 werden er pogingen ondernomen om een stedelijk museum op te richten, maar de gemeenteraad zag op tegen het beschikbaar stellen van een bedrag van circa duizend gulden dat nodig was om een deel van het Statencollege daarvoor geschikt te maken. Via een circulaire werd in 1878 de bevolking opgeroepen om financieel bij te dragen aan de totstandkoming van dit museum. Alleen omdat een aantal leden van voormalige regentenfamilies haar portefeuille trok, kon in 1880 met de verbouwing begonnen worden en opende het museum in juli 1881 haar poorten. In die eerste maand trok het museum zeven betalende bezoekers 'ten bedrage van fl. 0,25 de persoon'. En hoewel het museum 'een bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling en beschaving van de eigen inwoners', bestond er binnen de stad nauwelijks enig draagvlak. Burgemeester Zimmerman herinnerde in 1900 de gemeenteraad er aan dat 'het museum indertijd is opgericht om van het verleden datgene te redden wat er nog te redden was' en niet om 'een en ander dienstbaar te maken voor de verbreiding van kunst- en schoonheidsgevoel'.
Slechts de nazaten van de regentenfamilies die Hoorn eeuwenlang gedomineerd hadden, voelden zich betrokken bij het tot stand komen van het museum. Deze 24 tot 30 families hadden meer dan tweehonderd jaar het karakteristieke Hoorn, zo'n typisch Hollandse stad, gedomineerd. Zij bepaalden de politiek en hebben het gezicht van de stad bepaald. Als gevolg van het verval van de stad voor, tijdens en na de Franse periode hebben zij zich geleidelijk maar zeker uit de stad terugtrokken. Zij kregen functies bij de landelijke overheid, bij de buitenlandse dienst en/of in Nederlands-Indië. Hun stadspaleisjes kwamen leeg te staan en werden in gebruik genomen door lokale of regionale overheden, zoals het kantongerecht of een ontmoetingsplaats voor de welopgevoede jeugd. De inboedel van die huizen werd vaak (tijdelijk) opgeslagen en kwam na 1881 terecht in de museumcollectie. Ook nadien, en eigenlijk tot zeer recent, werden inboedels en kunstcollecties uit deze regentencollecties aan het Westfries museum overgedragen. Hierdoor kreeg het de beschikking over een collectie meubels, huishoudelijke voorwerpen en realia die een goed inzicht geeft van de woninginrichting c.q. het huishouden van de betere klassen uit de 17e, 18e en 19e eeuw. Er is nooit bewust verzameld. De rijke en zeer gevarieerde verzameling is door een lange reeks van toevalligheden bijeengebracht. Een grote hoeveelheid objecten met af en toe een geweldige uitschieter, een absoluut topstuk: een schilderij, een stuk zilver, een porselein vaas, een bijzonder kunstvoorwerp, een prachtig meubel, een exotisch object of een voorwerp afkomstig van de landelijke of lokale overheid. De oorspronkelijke betimmeringen van het uit 1632 daterende Statencollege werden aangevuld met interieuronderdelen uit onder meer de Oude Mannen- en Vrouwenhuizen, de Admiraliteit, de Noordse Compagnie en het Venduehuis. Naadloos sluiten deze op elkaar aan, evenals de twee geschilderde kamerbehangsels afkomstig van de 'Vaderlandsche Schilder-, Druck- en Behangselfabriek' die in 1777 in Hoorn werd opgericht en tot 1826 heeft gefunctioneerd.
De inrichting van het museum is voor een belangrijk deel bepaald door Johan Kerkmeijer (1875-1956). Hij werd in 1897, op 21-jarige leeftijd, benoemd tot conservator van het Westfries Museum, en werd tegelijkertijd stadsarchivaris, stadsrekenmeester en tekenleraar op de plaatselijke HBS. Het was Kerkmeijer die vervolgens het museum heeft gemaakt tot wat het nu nog altijd is: een verrassende aaneenschakeling van gevarieerde interieurs in een reeks van zalen, kamers en kamertjes met de uitstraling van een sfeer zoals die in de andere Nederlandse musea niet (meer) te vinden is.
Carel de Jong, historicus, conservator Westfries Museum