

01-02-2009
Mijn lievelingskleur is de regenboog
Aldo van Eyck (1918-1999)
Als er iets opvalt aan de buitenkant van het Moederhuis, officieel genaamd het Hubertushuis voor alleenstaande moeders in Amsterdam, is het wel zijn kleurrijke gevel. Maar vooral in het interieur - een groot spel van zichtlijnen, doorkijkjes, grote en kleinere binnen- en buiten ruimten - spelen de kleuren van de regenboog een hoofdrol. Het complex is gebouwd tussen in 1973 en 1980, een tijd waarin Aldo van Eyck al een bovengemiddelde bekendheid had verworven binnen de Nederlandse architectenwereld. Met uitzondering van de ruim 700 speelplaatsen die hij in Amsterdam heeft gerealiseerd, had hij die faam niet te danken aan een grote bouwproductie. Eerder aan het tegenovergestelde: met zijn minutieus doorgewerkte en doordachte ontwerpen, bevlogen lezingen en manifestachtige teksten waarin hij theorie, kunst, filosofie, literatuur en niet westerse antropologie, combineerde met een zeer persoonlijke betrokkenheid en een fel reactionisme, heeft hij een hele generatie architectuurstudenten, liefhebbers en gebruikers weten te beïnvloeden.
De opdracht voor het Moederhuis was tweeledig: verbouw van twee panden met een nieuwbouwdeel ertussenin. Met een krap budget maar met de bevlogen opdrachtgeefster Addie van Roijen-Wortmann wist Van Eyck zijn gedachtegoed over tweelingfenomenen, zoals gebruik van groot en klein, open en gesloten, licht en donker, in de praktijk te brengen voor een zeer specifieke groep gebruikers, alleenstaande ouders en hun kinderen. Het is een tot in de laatste details doorontworpen gebouw geworden, een maatpak, waarin het perspectief van de kinderen centraal heeft gestaan. Met twee paarsen, drie blauwen, twee groenen, twee gelen, een oranje en twee roden heeft Van Eyck het voor iedereen herkenbare kleurenspectrum in het hele interieur toegepast. Bijna als in een schilderij heeft hij diepte en ruimtelijkheid versterkt door de kleuren uit de regenboog. Dat zo weinig mensen zich bewust zijn van de kern van de kwaliteit van de architectuur van dit gebouw is schrijnend. Net als de meeste van Aldo's gebouwen, zoals het Burgerweeshuis in Amsterdam, gaat het hier om een niet openbare instelling. Daardoor kunnen plannen voor ernstige aantasting van het oorspronkelijke interieur behorend tot ons cultureel erfgoed bijna geruisloos worden ingebracht, een angst die gezien de huidige ontwikkelingen niet geheel ongegrond is. De crèche die sinds 10 jaar in het gebouw zit, heeft onlangs een andere eigenaar gekregen, met een andere bedrijfseconomische, efficiëntere benadering. En daarbij is het gebouw niet langer een eigenzinnige inspiratiebron en bondgenoot, maar een lastpost en kostenpost. Een gevaar voor het interieur, maar ook voor het gedachtegoed van Van Eyck.
Sabine Lebesque, architectuurhistoricus Ontwikkelingbedrijf Gemeente Amsterdam